A.V.R.U.G
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
| Land van herkomst | Aantal vreemdelingen | ||
| B r u s s e l | W a l l o n i ë | V l a a n d e r e n | |
| EU | 134.943 | 266.483 | 153.091 |
| Maghreb | 78.835 | 27.281 | 49.006 |
| Turkije | 21.201 | 19.587 | 40.956 |
| sub-Sahara Afrika | 11.224 | 7.758 | 5.394 |
| D.R. Congo | 6.159 | 4.189 | 1.862 |
| andere Afrikaanse landen | 5.065 | 3.569 | 3.532 |
Bron: Jeanette de Putter
(ed.). AIDS & STDs and migrants,
ethnic minorities and other mobile groups:
the state of affairs in Europe. Aids
& Mobility, 1998.
Van de landen vermeld in deze tabel,
zijn enkel sub-sahara Afrika, Congo en
ander Afrikaanse landen mogelijke
risicolanden wat betreft
vrouwenbesnijdenis, wat het totale aantal
buitenlandse inwoners op 22.448 brengt voor
Brussel, 15.516 voor Wallonië en op 10.788
voor Vlaanderen.
Het aantal in 1996 geregistreerde
asielzoekers uit Afrika is 3.456. Van deze
cijfers zijn geen specificaties bekend uit
welk land de vreemdelingen of asielzoekers
komen, dus kunnen we ook niet met meer
zekerheid zeggen hoeveel vrouwen er
besneden zijn.
Tot nu toe weten we niet hoe de toestand in
2001 is, maar dit jaar plant het
International Centre for Reproductive
Health om de toestand in Belgie mbt
vrouwenbesnijdenis wat beter in kaart te
brengen.
Omdat Europa pas in de laatste twee of drie decennia een grote toevloed kreeg van migranten uit landen waar FGM een gangbare praktijk is, en er pas zeer recent een toenemende interesse is vanuit het beleid op Europees niveau, is er van een gezamenlijke aanpak van het probleem in Europe nog geen sprake.
Toch zijn er recent enkele belangrijke initiatieven genomen:
Tot zover enkele van de voornaamste ontwikkelingen op Europees politiek niveau. In wat nu volgt kijk ik even naar de nationale wetgevende initiatieven in Europa, en meer specifiek hoe ver het staat in België.
Van de Europese lidstaten zijn er slechts 4 landen die specifieke wetgevende initiatieven hebben ontwikkeld: deze landen zijn Noorwegen, Engeland, Zweden, en sinds kort ook België.
In België is er een nieuw wetsartikel toegevoegd aan het Strafwetboek dat genitale verminking strafbaar stelt. Dit nieuwe artikel 409 van de Strafwet werd op 17 maart 2001 in het Staatsblad gepubliceerd en is sedert 1 april 2001 van kracht. Over de inhoud van het artikel, de strafmaat en dergelijke meer ga ik nu niet dieper in, omdat er deze namiddag een werkgroep is waar deze wet ongetwijfeld in meer detail aan bod zal komen. Ik zal me hier beperken tot enkele algemene opmerkingen ivm deze wet.
De wet stelt eender welke vorm van verminking van de genitaliën van een vrouw strafbaar, zelfs als de vrouw zelf om een besnijdenis heeft verzocht en/of meerderjarig is. De wet heeft geen betrekking op kleine aantastingen van de geslachtsorganen zoals piercings en tatoeages en ook niet op handelingen uitgevoerd om het geslacht van een persoon te veranderen, omdat deze laatste operaties als geneeskundige verzorging worden beschouwd (Debouver V et al, 2001). Artsen en gynecologen mogen dus een vrouw niet opnieuw infibuleren of 'dichtmaken', bijvoorbeeld na een bevalling, of de meer symbolische incisies geven, waartoe soms wordt verzocht om toch aan de traditie te voldoen zonder dat er effectief delen van de geslachtsorganen worden weggesneden.
Wat betreft het verlenen van asielrecht op grond van genitale verminking, het zogenaamd erkennen van gendergebonden vervolgingsgronden, baseer ik mij op een scriptie die ik onlangs ontving van enkele studenten van de Rechtsfaculteit van de Universiteit Gent (Debouver V et al, 2001). Volgens hen zouden er in België een 20-tal gevallen gekend zijn van vrouwen die genitale verminking hebben ingeroepen als (één van de) grond(en) voor hun asielaanvraag. Het gaat om vrouwen uit Somalië, Nigeria en Kameroen. Drie van deze vrouwen werden als vluchteling erkend. De Belgische asielwetgeving- en procedure laat aan gendergevoeligheid dus nog veel te wensen over, en het verlenen van asielrecht op basis van het risico om besneden te worden is hier dus zeker geen courante zaak. Blijkbaar is België niet het enige land in Europa dat zijn asielpolitiek wat vrouwvriendelijker moet maken, althans volgens de Europese Vrouwen Lobby, die zoals hoger reeds vermeld, een sensibiliseringscampagne startte om dergelijke politiek gendergevoelig te maken.
Naast die nationale wetgevende initiatieven zou er ook een coherent beleid moeten komen op Europees vlak (om te vermijden dat meisjes in een ander Europees land worden besneden), en een dubbele strafbaarstelling zodat de praktijk strafbaar is in Afrika en in Europa.
Maar daarmee is het gevaar echter niet geweken, omdat het toepassen van wetgevende initiatieven alleen belangrijke beperkingen heeft:
Een wet kan dus enkel een hulpmiddel zijn in de strijd tegen vrouwenbesnijdenis, en moet gepaard gaan met het informeren en sensibiliseren van de betrokken Afrikaanse gemeenschappen enerzijds en anderzijds de diverse beroepsgroepen in België, zoals artsen, onderwijzers, sociale werkers, enz. die mogelijkerwijze in contact kunnen komen met slachtoffers of met meisjes die het risico lopen besneden te worden.
Door de toenemende migratie van Afrikanen naar Europa, wordt de gezondheidszorg geconfronteerd met de gevolgen van een traditie die in onze contreien nagenoeg onbekend was. Europese landen, zoals Denemarken, Zweden, Engeland en Nederland die reeds decennia lang een aanzienlijk aantal migranten huisvesten afkomstig uit Afrikaanse regio's waar infibulatie een gangbare praktijk is, staan het verst met het opstellen van richtlijnen voor de gezondheidszorg, en met het ontwikkelen van gespecialiseerde diensten die toegemoet komen aan de medische noden van - vooral - geïnfibuleerde vrouwen. Daarbij spitst men zich niet enkel toe op de klinische behandeling van de gevolgen van vrouwenbesnijdenis, maar opteert men steeds meer voor een holistische benadering, waarbij de socio-culturele context van vrouwenbesnijdenis niet uit het oog wordt verloren.
Ter illustratie geef ik u hier enkele initiatieven die in Denemarken en Engeland werden ontwikkeld en die als modelvoorbeelden kunnen beschouwd worden van een Europese aanpak van een 'Afrikaans' probleem.
Beide landen hebben enkele gespecialiseerde vroedvrouwen, waar zwangere geïnfibuleerde vrouwen terecht kunnen voor pre- en postnatale zorg, voor bevallingen en counseling. In Engeland werken deze vroedvrouwen in zogenaamde African Well Women Clinics, en behoren tot de Afrikaanse gemeenschap. In Denemarken is er één vroedvrouw gespecialiseerd in deze materie en die dient als referentiepersoon, waarnaar alle gevallen worden doorverwezen vanuit het hele land.
Dergelijke gespecialiseerde vroedvrouwen zijn zeer goed op de hoogte van de medische, socio-culturele en legale aspecten van vrouwenbesnijdenis. Ze verstrekken pre- en postnatale zorg aan zwangere vrouwen, geven informatie aan niet zwangere vrouwen, geven advies aan koppels en proberen hen te steunen in hun beslissing om hun dochters niet te laten besnijden. Ze verzorgen ook trainingen voor medici en paramedici over vrouwenbesnijdenis, waarin technisch advies wordt verstrekt ivm bevallingen bij geïnfibuleerde vrouwen.
In diverse Europese landen zijn nationaal coordinerende organen opgericht, die gekenmerkt worden door een multidisciplinaire aanpak en de problematiek van vrouwenbesnijdenis op nationaal vlak aanpakken. In deze nationale groepen zitten zowel vertegenwoordigers van de politie, de gezondheidszorg, de Afrikaanse gemeeschap, het onderwijs als sociale werkers.
Professionele organisaties van (para)medici in diverse Europese landen, zoals onder andere de Royal College of Midwives van Engeland en de Nederlandse Vereniging van Obstetrici en Gynecologen, publiceerden richtlijnen of gedragscodes voor hun leden in geval ze patienten krijgen die het slachtoffer zijn van vrouwenbesnijdenis. Deze richtlijnen hebben betrekking op het uitvoeren van een defibulatie, de houding tegenover het medicaliseren van vrouwenbesnijdenis (eindnoot 1), de goede pre-en postnatale zorg, gynecologisch onderzoek bij besneden vrouwen, enz.
Een modelvoorbeeld van samenwerking vinden we terug in Zweden, waar de Afrikaanse gemeenschap en de gezondheidszorg tesamen diverse richtlijnen hebben ontwikkeld voor de gezondheidszorg en een trainingsprogramma opstelden voor het medisch personeel.
Naar mijn weten is er in België nog geen sprake van samenwerking op nationaal niveau, hoewel er in België reeds heel wat expertise is op dat vlak. Wat betreft de gezondheidszorg werden in Juni 2000 technische richtlijnen opgesteld voor bevallingen bij geïnfibuleerde vrouwen. Deze richtlijnen werden opgesteld door Prof. J.J. Amy van de Vrije Universiteit Brussel en de Groupement pour l'Abolition des Mutilations Sexuelles (GAMS) uit Brussel, en ingediend bij het Minsiterie van Volksgezondheid met de vraag om die richtlijnen te verspreiden. Het International Center for Reproductive Health fungeerde het laatste jaar als coordinator van een Europees Netwerk ter Preventie van Vrouwenbesnijdenis, en GAMS is de enige NGO in België die zich actief met de preventie van vrouwenbesnijdenis op het terrein bezighoudt.
In verband met de gezondheidszorg lijkt het me in het kader van deze voordracht toch nuttig om hier enkele kwesties aan te kaarten, waarover mijns inziens eens duchtig gedebatteerd moet worden op nationaal vlak. Eén van die vragen waarop de medische sector moet voorbereid zijn is, "is het medicaliseren, di het uitvoeren van de operatie onder klinische condities om mogelijke pijn, complicaties en besmettingen te voorkomen al dan niet verantwoord?" Een andere vraag is: "Mag men een volwassen vrouw, op haar verzoek, terug infibuleren na de bevalling, of werkt men op die manier mee aan het in stand houden van de praktijk?"
Tot slot wil ik hier de zeer belangrijke rol van het lokale activisme belichten, dat zowel in Afrika als in Europa sedert meer dan 20 jaar de drijvende kracht geweest is achter de strijd tegen vrouwenbesnijdenis.
Met lokaal activisme bedoel ik hier de mensenrechtenorganisaties, vrouwenorganisaties en alle andere individuen die zich hebben ingezet om vrouwenbesnijdenis in de kijker te werken. Het is dank zij hun inspanningen dat het taboe rond vrouwenbesnijdenis werd doorbroken, en die het onderwerp op de internationale agenda hebben geplaatst. In dit hoofdstukje zal ik een kort overzicht geven van enkele succesrijke initiatieven in Afrika en Europa, die u een idee zullen geven van hoe het probleem op het terrein wordt bestreden.
Een aantal van de activiteiten op het Afrikaanse continent wordt uitgevoerd door het Inter-African Committee on Traditional Practices Affecting the Health of Women and Children (IAC), een organisatie opgericht door en voor Afrikaanse vrouwen. Sedert zijn oprichting in 1984 voert het IAC campagne tegen schadelijke traditionele praktijken in Afrika, zoals tienerhuwelijken en -zwangerschappen, vrouwenbesnijdenis, voedseltaboes, enz. Het Inter-African Committee heeft Nationale Comités opgericht in 26 Afrikaanse landen, die de strijd op hun beurt op nationaal vlak verder zetten. Hun voornaamste activiteiten in 1999 waren: training van traditionele vroedvrouwen over de negatieve gezondheidseffecten van vrouwenbesnijdenis, sensibilseringscampagnes voor diverse doelgroepen (de jongeren, 'opinion leaders', besnijdsters, religieuze leiders, enz.), het creeëren van alternatieve tewerkstelling voor ex-besnijdsters en lobbyen voor meer steun van de nationale regeringen om een wet tegen vrouwenbesniijdenis in te voeren en te laten toepassen.
Naast het IAC zijn vele andere organisaties en NGOs actief in Afrika. In 1999 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) een evaluatie van diverse programma's in Burkina Faso, Egypte, Ethiopië, Mali, Kenia, Senegal en Uganda, die alle tot doel hebben vrouwenbesnijdenis te bestrijden (WHO, 1999). Naar aanleiding van deze evaluatie concludeert de WGO dat een verandering van strategie zich opdringt en dat de doelstellingen van programma's en activiteiten ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis dienen verplaatst te worden van sensibilisering naar gedragsverandering.
Een typisch voorbeeld van een land dat op dit keerpunt van sensibilisering naar gedragsverandering staat is Burkina Faso. In dit land is circa 70 % van de vrouwen besneden. Sinds 1992 heeft het Comité National de Lutte Contre La Pratique De L'Excision (CNLCPE=Nationaal IAC Committee) sensibiliseringsactiviteiten georganiseerd. Een evaluatie in 1995 toonde aan dat een groot deel van de bevolking nog steeds voor vrouwenbesnijdenis is. Het CNLCPE ontwikkelde daarom afzonderlijke senisibileringsactiviteiten voor diverse doelgroepen (traditionele leiders, islamitische verenigingen, kerken en parochies, vrouwen- en jeugdorganisaties, gezondheidszorg, politie, onderwijzers, media), en bereikte hiermee 4.750.000 mensen (bevolking van BF 10.3 miljoen). Het nationale programma ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis in Burkina Faso was zeer succesvol in haar sensibilisering van diverse doelgroepen, maar de WGO suggereert dat het programma nu aan een andere strategie toe is en meer gericht moet werken op het aanmoedigen en ondersteunen van het nemen van beslissingen op niveau van het gezin en de gemeenschap.
Twee projecten die het gedrag tav vrouwenbesnijidenis wel in de gewenste richting sturen zijn het TOSTAN project in Senegal en het "besnijden met woorden" in Kenia.
De Senegalese NGO TOSTAN voert basiseducatieprogramma's uit in rurale gebieden van Senegal, met als doel het fysieke en psychische welzijn van landelijke vrouwen en kinderen te verbeteren. Het programma behandelt onderwerpen zoals hygiëne, overdraagbare ziekten, gezondheid van vrouw en kind, mensenrechten, planning en uitvoering van projecten en geeft training in boekhoudkundige technieken. Vrouwen worden er ook getraind in het ontwikkelen van probleemoplossende vaardigheden, zelfbewustzijn en assertiviteit. Via het begrip mensenrechten en gezondheid wordt vrouwenbesnijdenis zeer geleidelijk aangekaart. Het project wordt uitgevoerd Tostan in samenwerking met dorpelingen, wat van kapitaal belang is voor het succes van het project. Nadat ze hadden deelgenomen aan een educatief programma, besloten enkele vrouwen van het Senegalese dorp Malicounda Bambara in september 1996 af te zien van verdere besnijdenissen. De vrouwen slaagden erin ook de andere dorpelingen rond het thema vrouwenbesnijdenis te mobiliseren. Dorpsleiders, vrouwen, religieuze leiders en mannen die aanvankelijk gekant waren tegen het opgeven van deze traditie, werden in de discussies betrokken. Ze schaarden zich achter de beslissing en gaandeweg heeft deze beslissing andere dorpen in de omtrek ertoe aangezet om hetzelfde te doen. De beslissing werd niet door TOSTAN opgedrongen, maar werd door de vrouwen zelf naar voor gebracht nadat de vrouwen het basiseducatieprogramma hadden gevolgd.
Een succesvolle strategie zo blijkt, die steunde op de volgende punten die ook bruikbaar kunnen zijn voor andere projecten:
Een soortgelijk succes werd geboekt in Kenya met het "Ntanira Na Mugambo"-project, of "besnijdenis door woorden" (eindnoot 2). De "rite de passage" bestaat uit een Week of Seclusion, waarin meisjes worden onderhouden over seksuele en reproductieve gezondheid, anatomie en fysiologie, hygiene, ontwikkeling van zelfvertrouwen en hun toekomstige taken als vrouw. De week wordt afgesloten met de Coming of Age Ceremony, feestelijkheden die hun overgang van meisje tot vrouw markeren. Traditioneel werden meisjes tijdens deze ceremonie besneden, terwijl ze nu een certificaat en geschenken ontvangen en in het middelpunt van de belangstelling staan van de gemeenschap. Twee belangrijke sleutels tot het succes zijn de samenwerking tussen alle leden van de gemeenschap (meisjes in kwestie, moeders, vaders, dorpelingen) in het ontwerpen van het project en de mogelijkheid om de ceremonie aan te passen al naargelang de doelgroep of specifieke karakteristieken van een gemeenschap.
Na de grote sensibiliseringscampagnes is het nu dus tijd voor interventies die gericht zijn op het veranderen van gedrag. Deze interventies zijn het succesvolst als ze door de betrokken gemeenschappen zelf worden ontworpen, gepland en uitgevoerd. Een dergelijke aanpak is nog relatief jong, en om écht te kunnen spreken van een succes dient men af te wachten of het aantal besneden vrouwen in de betrokken regio ook daadwerkelijk daalt, en of die dalende trend zich op lange termijn kan handhaven.
In Europa hebben vooral die landen die van in de jaren tachtig een aanzienlijk aantal Afrikaanse inwijkelingen ontvingen uit landen waar infibulatie een gangbare praktijk is, heel wat initiatieven ontwikkeld om vrouwenbesnijdenis aan te pakken. Het gaat hier om ondermeer Zweden, Denemarken, Duitsland, Engeland, Italië en Nederland. De meeste van die landen hebben op nationaal niveau een coordinerend orgaan ontwikkeld, die alle initiatieven opvolgt, coordineert en stuurt.
In die landen concentreren de activiteiten van deze organisaties zich voornamelijk op:
Op Europees vlak is er sedert november 2000 een Europees Netwerk ter Preventie van Vrouwenbesnijdenis. Dit netwerk is nog jong, maar probeert de verschillende initiatieven in alle Europese landen samen te brengen door middel van een website (http://www.icrh.org), een e-mailing list en uitwisselingsprogramma's, en poogt ook de krachten te bundelen zodat vrouwenbesnijdenis ook in Europa op de agenda zou worden geplaatst. Omdat het International Center for Reproductive Health in 2000 één van de initiatiefnemers was om dit Netwerk op poten te zetten, kan u voor meer informatie over dit Netwerk terecht op de website van het ICRH (http://www.icrh.org). Naarmate het Netwerk operationeler wordt, zal het een eigen website ontwerpen.
In België is het vooral GAMS die actief is op het terrein. Ligt het zwaartepunt van de activiteiten nu vooral nog op Brussel, dan wordt er actief gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met Vlaamse organisaties, maar daarover zal Kadia Diallo, voorzitster van GAMS u in het volgende halfuurtje ongetwijfeld meer vertellen.
Ik zou hier willen besluiten en u toch nog het volgende willen meegeven: vrouwen die hun dochters laten besnijden doen dit omdat ze het allerbeste met hun dochters voor hebben, omdat deze traditie hun dochters beschermt tegen schaamte, uitsluiting uit de gemeenschap en isolatie. Vrouwenbesnijdenis is een zeer complex cultureel gegeven, en de antwoorden op de vele uitdagingen die het afschaffen van deze schadelijke traditionele praktijk zal moeten geven, zullen vanzelfsprekend niet eenvoudig zijn.
Het thema ligt uiterst gevoelig, zowel bij European als bij de Afrikaanse gemeenschap zelf. Daarom dient het met omzichtigheid benaderd te worden, en is samenwerking met de betrokkenen een absolute prioriteit. Het gevaar is niet denkbeeldig dat vrouwenbesnijdenis aangegrepen wordt om de hele Afrikaanse gemeenschap in een fout daglicht te stellen.
Al te emotionele reacties, het opleggen van onze opvattingen, waarden en normen mbt sexualiteit en vrouwelijkheid, en een totaal onbegrip van de socio-culturele context van vrouwenbesnijdenis, hebben de strijd tegen vrouwenbesnijdenis aanzienlijke schade berokkent.
Gezamelijke acties tussen het Zuiden en het Noorden, een betere samenwerking gecombineerd met een verbeterde toegang voor vrouwen tot het onderwijs, tewerkstelling en economische afhankelijkheid zijn nodig wil men de strijd tegen vrouwenbesnijdenis winnen.
En laten we vooral niet vergeten dat vrouwenbesnijdenis slechts één vorm van geweld is tegen vrouwen. Het verdient onze volle aandacht, maar is slechts onderdeel van de algemene strijd voor meer reproductieve en seksuele rechten van de vrouw.
Gent, april 2001
els.leye@rug.ac.be
International Centre for Reproductive
Health (ICRH)
Universiteit Gent, Faculteit Geneeskunde,
UZ
De Pintelaan 185 P3, 9000 Gent
T : (09)240.35.64 - F: (09)240.38.67
Meer informatie over vrouwenbesnijdenis en het ICRH op http://www.icrh.org.