A.V.R.U.G
Afrika-Vereniging van de Universiteit Gent

Tekst 2

Vrouwenbesnijdenis in Europa en België

Els Leye & Marleen Bosmans
(ICRH)


Inleiding

Door de groeiende migratiestromen wordt het westen geconfronteerd met tradities en praktijken uit Afrika die hier vaak op ongeloof en onbegrip stuitten. Het zijn vooral de gezondheidszorg, de scholen, justitie en de asielcentra in Europa die met hun neus op de - vaak pijnlijke - gevolgen van vrouwenbesnijdenis worden gedrukt. Zonder dat deze instanties over voldoende achtergrondkennis beschikken worden ze verondersteld adequaat te reageren op de diverse vragen die vrouwenbesnijdenis oproept. Ik geef hier enkele voorbeelden van concrete situaties waarin een gebrek aan kennis ernstige gevolgen kan hebben:

  • Sommige vroedvrouwen en gynecologen die voor het eerst een geïnfibuleerde vrouw op consultatie krijgen schrikken zich een hoedje, wat de vertrouwensrelatie met de patiente in ernstige mate hypothekeert. Specifieke technieken zijn nodig om een geïnfibuleerde vrouw terug te 'openen' (defibulatie), zonder kennis van deze technieken kan men niet de gepaste hulp geven en gaat men vaak over tot keizersnedes, daar waar dit niet nodig was.
  • Geïnfibuleerde meisjes kunnen moeilijkheden hebben bij het plassen, hun leraars begrijpen niet waarom ze zolang op het toilet vertoeven en straffen de meisjes.
  • Vrouwen die asiel vragen op basis van het risico besneden te worden stuitten op een muur van onbegrip.
  • Westerlingen die zich in het debat mengen, of samenwerkingsverbanden zoeken in de strijd tegen vrouwenbesnijdenis, kunnen op flinke tegenstand stuitten van de Afrikaanse gemeenschap.

Anderzijds blijven ook de Afrikaanse vrouwen met onnoemelijk veel vragen zitten. Vaak worden ze hier in het westen voor het eerst geconfronteerd met vrouwen die niet besneden zijn, wat een vloed aan emoties en vragen losweekt. Ze schrikken ook vaak van de zeer felle reacties van westerlingen, op een praktijk die voor hen deel uitmaakt van hun rijke traditie. Het thema ligt dus uiterst gevoelig, zowel bij de Afrikaanse gemeenschap zelf, als bij de westerse publieke opinie.

Met deze voordracht wil ik u een overzicht geven van de inspanningen die gebeuren in Europa en Afrika ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis, en zal ik de de situatie in België toelichten.

De gegevens in deze voordracht zijn het resultaat van twee studies die door het International Centre for Reproductive Health werden uitgevoerd. De eerste studie werd uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie en ontwikkelde diverse aanbevelingen voor de Europese Commissie om vrouwenbesnijdenis aan te pakken. De tweede studie concentreerde zich op het opzetten van een Europees Netwerk ter Preventie Van Vrouwenbesnijdenis, waarover verder meer.

1. Omvang van vrouwenbesnijdenis in Europa en België

Hoewel migratie aanzienlijk toenam in de verschillende Europese lidstaten in de laatste 10 jaren, is er zeer weinig onderzoek gedaan naar de gezondheid van mobiele bevolkingen en meer specifiek naar migranten (De Putter J ed., 1999), en exacte cijfers over de omvang van vrouwenbesnijdenis in Europa zijn niet voor handen. Uiteraard is het probleem van vrouwenbesnijdenis in Afrika veel groter - de schattingen voor Afrika spreken van meer dan 100 miljoen vrouwen die besneden zijn en 2 miljoen meisjes die jaarlijks het risico lopen besneden te worden - dan in Europa, maar dat neemt niet weg dat er betrouwbare gegevens nodig zijn zowel in Europa als in Afrika, vooral omdat die gegevens de dialoog kunnen vergemakkelijken tussen beleidsmakers, de uitvoerders van programma's en de gemeenschap zelf, en een belangrijke rol kunnen spelen in de besluitvorming.

Het verzamelen van gegevens over vrouwenbesnijdenis zou bij voorkeur moeten geplaatst worden in een algemeen onderzoek naar de gezondheid van migranten in het algemeen, enerzijds om meer gegevens te krijgen over de gezondheid van migranten, en anderzijds om stigmatisering van de gemeenschap te vermijden.

Bij het in kaart brengen van het aantal besneden vrouwen en meisjes, inclusief diegenen die het risico lopen om besneden te worden, zijn er echter een reeks obstakels die die taak bemoeilijken:

  1. Officiele statistieken zijn er enkel voor officiele migranten, het grote aantal vluchtelingen en asielzoekers, de zogenaamde niet-gedocumenteerde migranten, zijn veel moeilijker te traceren, laat staan dat er gegevens beschikbaar zouden zijn over hun gezondheid en hoe ze in contact komen met de gezondheidszorg in Europa.
  2. Statistieken, als die al bestaan, geven slechts zelden de etnische oorsprong van de migranten weer, ze geven enkel het aantal personen weer afkomstig uit een Afrikaans land. Het aantal besnijdenissen verschilt echter aanzienlijk van ethnie tot ethnie, zodat het van belang is te weten uit welke regio de ingeweken Afrikanen precies afkomstig zijn.
  3. Statistieken moeten ook opgesplitst zijn naar geslacht, zodat kan worden vastgesteld hoeveel vrouwen en meisjes er afkomstig zijn uit een bepaald Afrikaans land. Dit kan van belang zijn om het aantal meisjes te bepalen die het risico lopen om besneden te worden.
  4. Officiele statistieken worden vaak jaren later gepubliceerd dan wanneer de gegevens werden verzameld. Migratie en mobiliteit van populaties kan snel veranderen, wat nogmaals het juist in kaart brengen van het aantal besnijdenissen in Europa bemoeilijkt.

Wat België betreft, bestaan er geen sluitende overzichten mbt het aantal vrouwen of meisjes die besneden zijn of in een risicogroep zitten. De volgende tabel geeft een overzicht van het aantal buitenlandse inwoners in België, en is gebaseerd op informatie van het Nationaal Instituut voor Statistiek van 1996:

Land van herkomst Aantal vreemdelingen
B r u s s e l W a l l o n i ë V l a a n d e r e n
EU 134.943 266.483 153.091
Maghreb 78.835 27.281 49.006
Turkije 21.201 19.587 40.956
sub-Sahara Afrika 11.224 7.758 5.394
D.R. Congo 6.159 4.189 1.862
andere Afrikaanse landen 5.065 3.569 3.532

Bron: Jeanette de Putter (ed.). AIDS & STDs and migrants, ethnic minorities and other mobile groups: the state of affairs in Europe. Aids & Mobility, 1998.

Van de landen vermeld in deze tabel, zijn enkel sub-sahara Afrika, Congo en ander Afrikaanse landen mogelijke risicolanden wat betreft vrouwenbesnijdenis, wat het totale aantal buitenlandse inwoners op 22.448 brengt voor Brussel, 15.516 voor Wallonië en op 10.788 voor Vlaanderen.
Het aantal in 1996 geregistreerde asielzoekers uit Afrika is 3.456. Van deze cijfers zijn geen specificaties bekend uit welk land de vreemdelingen of asielzoekers komen, dus kunnen we ook niet met meer zekerheid zeggen hoeveel vrouwen er besneden zijn.
Tot nu toe weten we niet hoe de toestand in 2001 is, maar dit jaar plant het International Centre for Reproductive Health om de toestand in Belgie mbt vrouwenbesnijdenis wat beter in kaart te brengen.

2. Europees beleid en de Belgische wet

Omdat Europa pas in de laatste twee of drie decennia een grote toevloed kreeg van migranten uit landen waar FGM een gangbare praktijk is, en er pas zeer recent een toenemende interesse is vanuit het beleid op Europees niveau, is er van een gezamenlijke aanpak van het probleem in Europe nog geen sprake.

Toch zijn er recent enkele belangrijke initiatieven genomen:

  1. In November 1998 organiseerde het International Centre for Reproductive Health een zogenaamde "expert meeting", met deskundigen uit Afrika, de Verenigde Staten en Europa, om aanbevelingen te formuleren voor de Europese Commissie ivm het ontwikkelen van een strategie om de praktijk op een efficiente manier aan te pakken. Er werden aanbevelingen geformuleerd voor de gezondheidszorg, voor de sociale sector en de organisaties werkzaam binnen de Afrikaanse gemeeschappen, en voor de wetgevende sector. Deze aanbevelingen werden doorgespeeld naar het directoraat Generaal van de Mensenrechten (DG II) van de Raad van Europa. Daar worden ze momenteel gebruikt door een Groep van Experten, die een 'draft' aanbeveling opstellen aan de LidStaten van de Raad van Europa, ivm de bescherming van vrouwen en kinderen tegen geweld. Dit voorjaar zou deze richtlijn moeten gefinaliseerd worden en zal hoogstwaarschijnlijk een verwijzing bevatten naar vrouwenbesnijdenis.
  2. In het Europees Parlement werd op 29 november 2000 een Internationale Dag tegen Vrouwenbesnijdenis georganiseerd, naar aanleiding van het op de agenda brengen van een motie voor resolutie over vrouwenbesnijdenis. Deze resolutie vraagt onder meer dat men het risico op een besnijdenis zou erkennen als grond voor het verlenen van asiel in Europa.
  3. In maart 2001 lanceerde de Europese Vrouwenlobby de Europese Campagne voor Vrouwelijke Asielzoekers, waarin ze aandacht vragen voor die vormen van vervolging die specifiek 'vrouwelijk' zijn. Op die manier wil de Europese VrouwenLobby druk uitoefenen op de regeringen van de LidStaten en de Europese instellingen om een gender gevoelige Europese Asielpolitiek te ontwikkelen. De Europese Commissaris voor Justitie en Binnenlandse Zaken Vitorino, steunt de campagne en inviteerde de Europese Vrouwen Lobby om deel te nemen aan het debat over een gemeenschappelijk Europees asiel systeem.
  4. Vrouwenbesnijdenis is in de eerste plaats een Afrikaanse traditie, die in Afrika op grote schaal wordt uitgevoerd. Het is dus ook van belang om de anti-FGM beweging in Afrika te ondersteunen. De Europese Unie doet dit door in de Cotonou Agreement (Juni 2000, deze agreement regelt de handel en samenwerking tussen ACP landen en de EC) voor het eerst zeer concreet te verwijzen naar vrouwenbesnijdenis met de vermelding dat preventie van FGM één van de voornaamste objectieven moet zijn van internationale samenwerking op het gebied van bevolking en gezinsplannng.

Tot zover enkele van de voornaamste ontwikkelingen op Europees politiek niveau. In wat nu volgt kijk ik even naar de nationale wetgevende initiatieven in Europa, en meer specifiek hoe ver het staat in België.

Van de Europese lidstaten zijn er slechts 4 landen die specifieke wetgevende initiatieven hebben ontwikkeld: deze landen zijn Noorwegen, Engeland, Zweden, en sinds kort ook België.

In België is er een nieuw wetsartikel toegevoegd aan het Strafwetboek dat genitale verminking strafbaar stelt. Dit nieuwe artikel 409 van de Strafwet werd op 17 maart 2001 in het Staatsblad gepubliceerd en is sedert 1 april 2001 van kracht. Over de inhoud van het artikel, de strafmaat en dergelijke meer ga ik nu niet dieper in, omdat er deze namiddag een werkgroep is waar deze wet ongetwijfeld in meer detail aan bod zal komen. Ik zal me hier beperken tot enkele algemene opmerkingen ivm deze wet.

De wet stelt eender welke vorm van verminking van de genitaliën van een vrouw strafbaar, zelfs als de vrouw zelf om een besnijdenis heeft verzocht en/of meerderjarig is. De wet heeft geen betrekking op kleine aantastingen van de geslachtsorganen zoals piercings en tatoeages en ook niet op handelingen uitgevoerd om het geslacht van een persoon te veranderen, omdat deze laatste operaties als geneeskundige verzorging worden beschouwd (Debouver V et al, 2001). Artsen en gynecologen mogen dus een vrouw niet opnieuw infibuleren of 'dichtmaken', bijvoorbeeld na een bevalling, of de meer symbolische incisies geven, waartoe soms wordt verzocht om toch aan de traditie te voldoen zonder dat er effectief delen van de geslachtsorganen worden weggesneden.

Wat betreft het verlenen van asielrecht op grond van genitale verminking, het zogenaamd erkennen van gendergebonden vervolgingsgronden, baseer ik mij op een scriptie die ik onlangs ontving van enkele studenten van de Rechtsfaculteit van de Universiteit Gent (Debouver V et al, 2001). Volgens hen zouden er in België een 20-tal gevallen gekend zijn van vrouwen die genitale verminking hebben ingeroepen als (één van de) grond(en) voor hun asielaanvraag. Het gaat om vrouwen uit Somalië, Nigeria en Kameroen. Drie van deze vrouwen werden als vluchteling erkend. De Belgische asielwetgeving- en procedure laat aan gendergevoeligheid dus nog veel te wensen over, en het verlenen van asielrecht op basis van het risico om besneden te worden is hier dus zeker geen courante zaak. Blijkbaar is België niet het enige land in Europa dat zijn asielpolitiek wat vrouwvriendelijker moet maken, althans volgens de Europese Vrouwen Lobby, die zoals hoger reeds vermeld, een sensibiliseringscampagne startte om dergelijke politiek gendergevoelig te maken.

Naast die nationale wetgevende initiatieven zou er ook een coherent beleid moeten komen op Europees vlak (om te vermijden dat meisjes in een ander Europees land worden besneden), en een dubbele strafbaarstelling zodat de praktijk strafbaar is in Afrika en in Europa.

Maar daarmee is het gevaar echter niet geweken, omdat het toepassen van wetgevende initiatieven alleen belangrijke beperkingen heeft:

  • Eén van de voornaamste belemmeringen die een effectieve toepassing van de wet in de weg staat, is het feit dat besnijdenissen clandestien gebeuren en dat de gemeenschappen waar ze gebeuren zich afsluiten van officiele instanties. Vervolgingen zijn dus zeer moeilijk.
  • Omdat men in het Westen zich niet wil mengen in tradities en gebruiken van andere culturen, wordt er geen debat ten gronde gevoerd over vrouwenbesnijdenis. Zo'n debat is echter nodig om de aangepaste zorg te kunnen ontwikkelen, zonder te vervallen in racistische uitlatingen of het tolereren van praktijken die een schending zijn van de mensenrechten.
  • De sociale druk om te voldoen aan deze diepgewortelde traditie is groot en in dergelijk geval kan een wet nauwelijks enige afschrikking vormen. Het kan echter wel een ander onvoorzien effect hebben: bijvoorbeeld bij ernstige complicaties ten gevolge van een besnijdenis, kan het gebeuren dat men een meisje niet naar een gezondheidscentrum zal brengen uit vrees voor vervolgingen. Besnijdenissen worden ook clandestien uitgevoerd, dit gebeurt in Europa door besnijdsters te laten overkomen uit Afrika, of kinderen te laten besnijden wanneer ze op vakantie zijn in Afrika.
  • Als het al tot een veroordeling komt van de ouders of één van de ouders wegens het laten uitvoeren van een benijdenis van een dochter, dan kan dit, vooral als die familie zich hier in het Westen heeft gevestigd, een bijkomende last vormen voor families die het zo al niet gemakkelijk hebben om zich hier in te passen, en kan het de hele familie ontwrichten.

Een wet kan dus enkel een hulpmiddel zijn in de strijd tegen vrouwenbesnijdenis, en moet gepaard gaan met het informeren en sensibiliseren van de betrokken Afrikaanse gemeenschappen enerzijds en anderzijds de diverse beroepsgroepen in België, zoals artsen, onderwijzers, sociale werkers, enz. die mogelijkerwijze in contact kunnen komen met slachtoffers of met meisjes die het risico lopen besneden te worden.

3. Hoe reageert de gezondheidszorg: enkele voorbeelden uit Europa

Door de toenemende migratie van Afrikanen naar Europa, wordt de gezondheidszorg geconfronteerd met de gevolgen van een traditie die in onze contreien nagenoeg onbekend was. Europese landen, zoals Denemarken, Zweden, Engeland en Nederland die reeds decennia lang een aanzienlijk aantal migranten huisvesten afkomstig uit Afrikaanse regio's waar infibulatie een gangbare praktijk is, staan het verst met het opstellen van richtlijnen voor de gezondheidszorg, en met het ontwikkelen van gespecialiseerde diensten die toegemoet komen aan de medische noden van - vooral - geïnfibuleerde vrouwen. Daarbij spitst men zich niet enkel toe op de klinische behandeling van de gevolgen van vrouwenbesnijdenis, maar opteert men steeds meer voor een holistische benadering, waarbij de socio-culturele context van vrouwenbesnijdenis niet uit het oog wordt verloren.

Ter illustratie geef ik u hier enkele initiatieven die in Denemarken en Engeland werden ontwikkeld en die als modelvoorbeelden kunnen beschouwd worden van een Europese aanpak van een 'Afrikaans' probleem.

Beide landen hebben enkele gespecialiseerde vroedvrouwen, waar zwangere geïnfibuleerde vrouwen terecht kunnen voor pre- en postnatale zorg, voor bevallingen en counseling. In Engeland werken deze vroedvrouwen in zogenaamde African Well Women Clinics, en behoren tot de Afrikaanse gemeenschap. In Denemarken is er één vroedvrouw gespecialiseerd in deze materie en die dient als referentiepersoon, waarnaar alle gevallen worden doorverwezen vanuit het hele land.

Dergelijke gespecialiseerde vroedvrouwen zijn zeer goed op de hoogte van de medische, socio-culturele en legale aspecten van vrouwenbesnijdenis. Ze verstrekken pre- en postnatale zorg aan zwangere vrouwen, geven informatie aan niet zwangere vrouwen, geven advies aan koppels en proberen hen te steunen in hun beslissing om hun dochters niet te laten besnijden. Ze verzorgen ook trainingen voor medici en paramedici over vrouwenbesnijdenis, waarin technisch advies wordt verstrekt ivm bevallingen bij geïnfibuleerde vrouwen.

In diverse Europese landen zijn nationaal coordinerende organen opgericht, die gekenmerkt worden door een multidisciplinaire aanpak en de problematiek van vrouwenbesnijdenis op nationaal vlak aanpakken. In deze nationale groepen zitten zowel vertegenwoordigers van de politie, de gezondheidszorg, de Afrikaanse gemeeschap, het onderwijs als sociale werkers.

Professionele organisaties van (para)medici in diverse Europese landen, zoals onder andere de Royal College of Midwives van Engeland en de Nederlandse Vereniging van Obstetrici en Gynecologen, publiceerden richtlijnen of gedragscodes voor hun leden in geval ze patienten krijgen die het slachtoffer zijn van vrouwenbesnijdenis. Deze richtlijnen hebben betrekking op het uitvoeren van een defibulatie, de houding tegenover het medicaliseren van vrouwenbesnijdenis (eindnoot 1), de goede pre-en postnatale zorg, gynecologisch onderzoek bij besneden vrouwen, enz.

Een modelvoorbeeld van samenwerking vinden we terug in Zweden, waar de Afrikaanse gemeenschap en de gezondheidszorg tesamen diverse richtlijnen hebben ontwikkeld voor de gezondheidszorg en een trainingsprogramma opstelden voor het medisch personeel.

Naar mijn weten is er in België nog geen sprake van samenwerking op nationaal niveau, hoewel er in België reeds heel wat expertise is op dat vlak. Wat betreft de gezondheidszorg werden in Juni 2000 technische richtlijnen opgesteld voor bevallingen bij geïnfibuleerde vrouwen. Deze richtlijnen werden opgesteld door Prof. J.J. Amy van de Vrije Universiteit Brussel en de Groupement pour l'Abolition des Mutilations Sexuelles (GAMS) uit Brussel, en ingediend bij het Minsiterie van Volksgezondheid met de vraag om die richtlijnen te verspreiden. Het International Center for Reproductive Health fungeerde het laatste jaar als coordinator van een Europees Netwerk ter Preventie van Vrouwenbesnijdenis, en GAMS is de enige NGO in België die zich actief met de preventie van vrouwenbesnijdenis op het terrein bezighoudt.

In verband met de gezondheidszorg lijkt het me in het kader van deze voordracht toch nuttig om hier enkele kwesties aan te kaarten, waarover mijns inziens eens duchtig gedebatteerd moet worden op nationaal vlak. Eén van die vragen waarop de medische sector moet voorbereid zijn is, "is het medicaliseren, di het uitvoeren van de operatie onder klinische condities om mogelijke pijn, complicaties en besmettingen te voorkomen al dan niet verantwoord?" Een andere vraag is: "Mag men een volwassen vrouw, op haar verzoek, terug infibuleren na de bevalling, of werkt men op die manier mee aan het in stand houden van de praktijk?"

4. Lokaal activisme in Afrika, Europa en België

Tot slot wil ik hier de zeer belangrijke rol van het lokale activisme belichten, dat zowel in Afrika als in Europa sedert meer dan 20 jaar de drijvende kracht geweest is achter de strijd tegen vrouwenbesnijdenis.

Met lokaal activisme bedoel ik hier de mensenrechtenorganisaties, vrouwenorganisaties en alle andere individuen die zich hebben ingezet om vrouwenbesnijdenis in de kijker te werken. Het is dank zij hun inspanningen dat het taboe rond vrouwenbesnijdenis werd doorbroken, en die het onderwerp op de internationale agenda hebben geplaatst. In dit hoofdstukje zal ik een kort overzicht geven van enkele succesrijke initiatieven in Afrika en Europa, die u een idee zullen geven van hoe het probleem op het terrein wordt bestreden.

Afrika

Een aantal van de activiteiten op het Afrikaanse continent wordt uitgevoerd door het Inter-African Committee on Traditional Practices Affecting the Health of Women and Children (IAC), een organisatie opgericht door en voor Afrikaanse vrouwen. Sedert zijn oprichting in 1984 voert het IAC campagne tegen schadelijke traditionele praktijken in Afrika, zoals tienerhuwelijken en -zwangerschappen, vrouwenbesnijdenis, voedseltaboes, enz. Het Inter-African Committee heeft Nationale Comités opgericht in 26 Afrikaanse landen, die de strijd op hun beurt op nationaal vlak verder zetten. Hun voornaamste activiteiten in 1999 waren: training van traditionele vroedvrouwen over de negatieve gezondheidseffecten van vrouwenbesnijdenis, sensibilseringscampagnes voor diverse doelgroepen (de jongeren, 'opinion leaders', besnijdsters, religieuze leiders, enz.), het creeëren van alternatieve tewerkstelling voor ex-besnijdsters en lobbyen voor meer steun van de nationale regeringen om een wet tegen vrouwenbesniijdenis in te voeren en te laten toepassen.

Naast het IAC zijn vele andere organisaties en NGOs actief in Afrika. In 1999 publiceerde de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) een evaluatie van diverse programma's in Burkina Faso, Egypte, Ethiopië, Mali, Kenia, Senegal en Uganda, die alle tot doel hebben vrouwenbesnijdenis te bestrijden (WHO, 1999). Naar aanleiding van deze evaluatie concludeert de WGO dat een verandering van strategie zich opdringt en dat de doelstellingen van programma's en activiteiten ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis dienen verplaatst te worden van sensibilisering naar gedragsverandering.

Een typisch voorbeeld van een land dat op dit keerpunt van sensibilisering naar gedragsverandering staat is Burkina Faso. In dit land is circa 70 % van de vrouwen besneden. Sinds 1992 heeft het Comité National de Lutte Contre La Pratique De L'Excision (CNLCPE=Nationaal IAC Committee) sensibiliseringsactiviteiten georganiseerd. Een evaluatie in 1995 toonde aan dat een groot deel van de bevolking nog steeds voor vrouwenbesnijdenis is. Het CNLCPE ontwikkelde daarom afzonderlijke senisibileringsactiviteiten voor diverse doelgroepen (traditionele leiders, islamitische verenigingen, kerken en parochies, vrouwen- en jeugdorganisaties, gezondheidszorg, politie, onderwijzers, media), en bereikte hiermee 4.750.000 mensen (bevolking van BF 10.3 miljoen). Het nationale programma ter bestrijding van vrouwenbesnijdenis in Burkina Faso was zeer succesvol in haar sensibilisering van diverse doelgroepen, maar de WGO suggereert dat het programma nu aan een andere strategie toe is en meer gericht moet werken op het aanmoedigen en ondersteunen van het nemen van beslissingen op niveau van het gezin en de gemeenschap.

Twee projecten die het gedrag tav vrouwenbesnijidenis wel in de gewenste richting sturen zijn het TOSTAN project in Senegal en het "besnijden met woorden" in Kenia.

De Senegalese NGO TOSTAN voert basiseducatieprogramma's uit in rurale gebieden van Senegal, met als doel het fysieke en psychische welzijn van landelijke vrouwen en kinderen te verbeteren. Het programma behandelt onderwerpen zoals hygiëne, overdraagbare ziekten, gezondheid van vrouw en kind, mensenrechten, planning en uitvoering van projecten en geeft training in boekhoudkundige technieken. Vrouwen worden er ook getraind in het ontwikkelen van probleemoplossende vaardigheden, zelfbewustzijn en assertiviteit. Via het begrip mensenrechten en gezondheid wordt vrouwenbesnijdenis zeer geleidelijk aangekaart. Het project wordt uitgevoerd Tostan in samenwerking met dorpelingen, wat van kapitaal belang is voor het succes van het project. Nadat ze hadden deelgenomen aan een educatief programma, besloten enkele vrouwen van het Senegalese dorp Malicounda Bambara in september 1996 af te zien van verdere besnijdenissen. De vrouwen slaagden erin ook de andere dorpelingen rond het thema vrouwenbesnijdenis te mobiliseren. Dorpsleiders, vrouwen, religieuze leiders en mannen die aanvankelijk gekant waren tegen het opgeven van deze traditie, werden in de discussies betrokken. Ze schaarden zich achter de beslissing en gaandeweg heeft deze beslissing andere dorpen in de omtrek ertoe aangezet om hetzelfde te doen. De beslissing werd niet door TOSTAN opgedrongen, maar werd door de vrouwen zelf naar voor gebracht nadat de vrouwen het basiseducatieprogramma hadden gevolgd.

Een succesvolle strategie zo blijkt, die steunde op de volgende punten die ook bruikbaar kunnen zijn voor andere projecten:

  • De beslissing om de praktijk te stoppen werd genomen door de gemeenschap zelf, zonder druk van buitenaf.
  • Het betrekken van mannen én leidinggevende personen in het dorp gaf de beslissing om vrouwenbesnijdenis op te geven aanzienlijk meer armslag.
  • Het hele dorp nam de beslissing. Een enkeling die zou weigeren zijn/haar dochter(s) te besnijden moet opboksen tegen de gangbare mentaliteit die vrouwenbesnijdenis promoot. Doordat het hele dorp de beslissing ondersteunde werkte die sociale druk in omgekeerde richting.
  • Vrouwenbesnijdenis werd benaderd als een mensenrechten- en gezondheidsissue, en niet als iets dat gelieerd is met de - onbespreekbare - vrouwelijke seksualiteit.
  • Het onderwerp maakte deel uit van een groter basiseducatieprogramma, waarin de empowerment of women een grote rol speelt.

Een soortgelijk succes werd geboekt in Kenya met het "Ntanira Na Mugambo"-project, of "besnijdenis door woorden" (eindnoot 2). De "rite de passage" bestaat uit een Week of Seclusion, waarin meisjes worden onderhouden over seksuele en reproductieve gezondheid, anatomie en fysiologie, hygiene, ontwikkeling van zelfvertrouwen en hun toekomstige taken als vrouw. De week wordt afgesloten met de Coming of Age Ceremony, feestelijkheden die hun overgang van meisje tot vrouw markeren. Traditioneel werden meisjes tijdens deze ceremonie besneden, terwijl ze nu een certificaat en geschenken ontvangen en in het middelpunt van de belangstelling staan van de gemeenschap. Twee belangrijke sleutels tot het succes zijn de samenwerking tussen alle leden van de gemeenschap (meisjes in kwestie, moeders, vaders, dorpelingen) in het ontwerpen van het project en de mogelijkheid om de ceremonie aan te passen al naargelang de doelgroep of specifieke karakteristieken van een gemeenschap.

Na de grote sensibiliseringscampagnes is het nu dus tijd voor interventies die gericht zijn op het veranderen van gedrag. Deze interventies zijn het succesvolst als ze door de betrokken gemeenschappen zelf worden ontworpen, gepland en uitgevoerd. Een dergelijke aanpak is nog relatief jong, en om écht te kunnen spreken van een succes dient men af te wachten of het aantal besneden vrouwen in de betrokken regio ook daadwerkelijk daalt, en of die dalende trend zich op lange termijn kan handhaven.

Europa

In Europa hebben vooral die landen die van in de jaren tachtig een aanzienlijk aantal Afrikaanse inwijkelingen ontvingen uit landen waar infibulatie een gangbare praktijk is, heel wat initiatieven ontwikkeld om vrouwenbesnijdenis aan te pakken. Het gaat hier om ondermeer Zweden, Denemarken, Duitsland, Engeland, Italië en Nederland. De meeste van die landen hebben op nationaal niveau een coordinerend orgaan ontwikkeld, die alle initiatieven opvolgt, coordineert en stuurt.

In die landen concentreren de activiteiten van deze organisaties zich voornamelijk op:

  • De zgn. IEC-activiteiten (informatie, educatie en communicatie). Deze activiteiten geven informatie over vrouwenbesnijdenis aan de diverse doelgroepen die beroepshalve in aanraking met vrouwenbesnijdenis. Voorbeelden van dergelijke beroepsgroepen kunnen zijn:
    • Scholen. In die scholen kunnen leraars geconfronteerd worden met meisjes die het risico lopen besneden te worden, en ontbreekt het vaak aan kennis over deze traditie en wat een leraar of lerares in dit geval kan doen.
    • Medici en paramedici moeten geïnformeerd worden over de socio-culturele achtergrond van vrouwenbesnijdenis, de gevolgen van besnijdenis, en getraind worden in een aantal medische aspecten ivm vrouwenbesnijdenis.
    • Politie zou geïnformeerd moeten worden over FGM, wat er gedaan moet worden indien er een melding binnekomt van een meisje dat het risico loopt.
  • Sensibiliseringscampagnes om de publieke opinie en de overheid bewust te maken van de problematiek rond vrouwenbesnijdenis.
  • Preventieactiviteiten binnen de betrokken Afrikaanse gemeenschappen zelf, zijn echter de hoofdmoot van de activiteiten van vele organisaties in Europa en in AFrika. Het spreekt voor zich dat het probleem bij de wortels dient worden aangepakt, vandaar dat het ontwikkelen van activiteiten ter preventie van vrouwenbesnijdenis door leden van de Afrikaanse gemeenschap zelf, van het allergrootste belang is. Deze activiteiten kunnen echter niet los gezien worden van de activiteiten op het Afrikaanse continent.

Op Europees vlak is er sedert november 2000 een Europees Netwerk ter Preventie van Vrouwenbesnijdenis. Dit netwerk is nog jong, maar probeert de verschillende initiatieven in alle Europese landen samen te brengen door middel van een website (http://www.icrh.org), een e-mailing list en uitwisselingsprogramma's, en poogt ook de krachten te bundelen zodat vrouwenbesnijdenis ook in Europa op de agenda zou worden geplaatst. Omdat het International Center for Reproductive Health in 2000 één van de initiatiefnemers was om dit Netwerk op poten te zetten, kan u voor meer informatie over dit Netwerk terecht op de website van het ICRH (http://www.icrh.org). Naarmate het Netwerk operationeler wordt, zal het een eigen website ontwerpen.

In België is het vooral GAMS die actief is op het terrein. Ligt het zwaartepunt van de activiteiten nu vooral nog op Brussel, dan wordt er actief gezocht naar samenwerkingsmogelijkheden met Vlaamse organisaties, maar daarover zal Kadia Diallo, voorzitster van GAMS u in het volgende halfuurtje ongetwijfeld meer vertellen.

5. Besluit

Ik zou hier willen besluiten en u toch nog het volgende willen meegeven: vrouwen die hun dochters laten besnijden doen dit omdat ze het allerbeste met hun dochters voor hebben, omdat deze traditie hun dochters beschermt tegen schaamte, uitsluiting uit de gemeenschap en isolatie. Vrouwenbesnijdenis is een zeer complex cultureel gegeven, en de antwoorden op de vele uitdagingen die het afschaffen van deze schadelijke traditionele praktijk zal moeten geven, zullen vanzelfsprekend niet eenvoudig zijn.

Het thema ligt uiterst gevoelig, zowel bij European als bij de Afrikaanse gemeenschap zelf. Daarom dient het met omzichtigheid benaderd te worden, en is samenwerking met de betrokkenen een absolute prioriteit. Het gevaar is niet denkbeeldig dat vrouwenbesnijdenis aangegrepen wordt om de hele Afrikaanse gemeenschap in een fout daglicht te stellen.

Al te emotionele reacties, het opleggen van onze opvattingen, waarden en normen mbt sexualiteit en vrouwelijkheid, en een totaal onbegrip van de socio-culturele context van vrouwenbesnijdenis, hebben de strijd tegen vrouwenbesnijdenis aanzienlijke schade berokkent.

Gezamelijke acties tussen het Zuiden en het Noorden, een betere samenwerking gecombineerd met een verbeterde toegang voor vrouwen tot het onderwijs, tewerkstelling en economische afhankelijkheid zijn nodig wil men de strijd tegen vrouwenbesnijdenis winnen.

En laten we vooral niet vergeten dat vrouwenbesnijdenis slechts één vorm van geweld is tegen vrouwen. Het verdient onze volle aandacht, maar is slechts onderdeel van de algemene strijd voor meer reproductieve en seksuele rechten van de vrouw.

6. Bibliografie

  • Debouver Valerie, Verleysen Mieke, Vermote Annelien. Genitale seksuele verminking. Scriptie voor het vak Strafrecht (Prof. Dr. G. Vermeulen), 3de Licentie Rechten, Universiteit Gent, maart 2001.
  • de Putter Jeanette (ed.). AIDS & STDs and migrants, ethnic minorities and other mobile groups: the state of affairs in Europe. AIDS & Mobility, June 1998.
  • Leye Els, de Bruyn Maria, Meuwese Stan. Proceedings of the expert meeting on female genital mutilation. Ghent, November 5-7, 1998.
  • Leye Els. Report of the Gothenburg workshops "Exchanging experiences and information at community level". Gothenburg, April 26-28, 2000 & September 28-30, 2000.
  • Leye Els. Workshop report "Female genital mutilation in Europe: setting a research agenda". Ghent, June 22-23, 2000.
  • Leye Els. Workshop report "Female genital mutilation in Europe: developing frameworks for the health care sector". Ghent, June 15-17, 2000.
  • WHO. Department of Women's Health. Health Systems and Community Health. Female Genital Mutilation. Programmes to Date: what works and what doesn't. Geneva, 1999.

Eindoten

  1. Het medicaliseren van vrouwenbesnijdenis is het uitvoeren van de operatie in hygiënische omstandigheden, door medisch personeel.
  2. Het project is een samenwerking tussen de organisatie Maendeleo Ya Wanawake en PATH (Program for Appropriate Technology in Health).

Gent, april 2001

els.leye@rug.ac.be
International Centre for Reproductive Health (ICRH)
Universiteit Gent, Faculteit Geneeskunde, UZ
De Pintelaan 185 P3, 9000 Gent
T : (09)240.35.64 - F: (09)240.38.67

Meer informatie over vrouwenbesnijdenis en het ICRH op http://www.icrh.org.