A.V.R.U.G
Afrika-Vereniging van de Universiteit Gent

"U bent mij vergeten, I presume?":
De actualiteit van de koloniale geschiedenis

Bambi Ceuppens

(verschenen in MO*magazine, februari 2007)


"Keer op keer wordt in dit land het Belgische koloniale verleden gereduceerd tot een twistappel in een interne discussie. Congolezen staan erbij en zijn verplicht ernaar te kijken als passieve toeschouwers." Bambi Ceuppens, antropologe en gespecialiseerd in het Belgische koloniale verleden, heeft een eitje te pellen met haar landgenoten.

Met de regelmaat van de klok bevestigt een of andere Belgisch politicus het belang van de "expertise" die ons land heeft op het vlak van Afrika, en meer bepaald Centraal-Afrika. Dat zal wel, maar ik herinner me niet dat ik tijdens mijn schooljaren en licentieopleiding in de Afrikaanse talen en geschiedenis wat dan ook heb geleerd over het Belgische koloniale verleden, al hadden drie professoren onderzoek verricht in Belgisch Congo.

In geen enkele Belgische universiteit wordt momenteel een vak Geschiedenis van de Belgische kolonisatie gedoceerd. Het algemene gebrek aan kennis over de periode is schrijnend, het onderzoeksgeld dat ervoor vrijgemaakt wordt, is navenant.

De Koning Boudewijnstichting heeft wel de volledige archieven van Henry Stanley Morton aangekocht en in bewaring gegeven aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, maar nog geen enkele Belgische onderzoeker of journalist heeft zich aan de notities gewaagd.

De Amerikaanse geograaf James L. Newman heeft er zich wel jarenlang in ondergedompeld en heeft op basis van dat onderzoek nu een biografie geschreven: Stanley, ontdekkingsreiziger in Afrika. Anders dan andere recente psychologische biografieŽn, die aan het licht brachten dat Stanley een gepatenteerde leugenaar was, wil Newman Stanley's rol als ontdekkingsreiziger centraal te stellen. Daar is niets mis mee, alleen laat de uitwerking veel te wensen over.

Newmans vlot geschreven boek laat de recente theoretische inzichten links liggen en beperkt zich tot een chronologie van de feiten. De koloniale context waarbinnen Stanley opereerde komt niet uit de verf en Afrikanen lopen alweer verloren in hun eigen geschiedenis. Nu eens zijn de "inboorlingen" gastvrij, dan weer vijandig, maar bijna nooit wordt duidelijk waarom ze zo reageren.

Als Centraal-Afrika inderdaad een groot gat was waarin de Europeanen beschaving dropten -een bewering die tot vandaag centraal staat in het vertoog van de (oud)kolonialen, maar waaraan Newman weinig aandacht geeft- waar haalden de Afrikanen dan de geweren vandaan waarmee ze Stanley en zijn gevolg bestookten? Newman neemt ook voetstoots aan dat Stanley zoveel bloedbroederschappen sloot met lokale politieke leiders dat hij een pijnlijke arm kreeg en vreesde voor bloedvergiftiging, terwijl hij die rituelen gewoon uit zijn duim zoog.

Al bij al toont het boek onvoldoende aan dat Centraal-Afrika op het einde van de negentiende eeuw niet het hart van een donker continent was. De duisternis viel er pas in op het moment dat blanken er zogezegd het licht van hun beschaving over lieten schijnen. Maar wie gedacht had dat die vaststelling ook gedaan zou worden op basis van jarenlang onderzoek in de kelders van Tervuren, die komt bij lezing van Stanley, ontdekkingsreiziger in Afrika bedrogen uit. De jongste biografie voegt zeer weinig toe aan het debat dat in BelgiŽ gevoerd moet worden over onze gedeelde geschiedenis.

Veel belangrijker echter dan de vraag of het eerste onderzoek gebaseerd op de aanschaf van het Stanley-archief een gedegen studie heeft opgeleverd, is dan ook de vraag of de aankoop en het beheer van dit archief zo'n hoge prioriteit verdiende in BelgiŽ. In Nederland heeft de Stichting Mondelinge Geschiedenis IndonesiŽ in 2001 een mondeling geschiedenisproject afgerond, met 1190 interviewsessies van 724 mensen. Er kwamen twee coŲrdinatoren en veertien interviewers aan te pas. Daarvan kunnen we in BelgiŽ slechts dromen.

Een dergelijk grootschalig project mondelinge geschiedenis opzetten over het vroegere Belgisch Afrika zou wellicht stukken goedkoper uitvallen, het is ook urgenter en sterker plaatsgebonden. Het Engelstalige Stanley-archief kan op eender welke plek ter wereld bewaard en geraadpleegd worden, maar alleen BelgiŽ heeft, in samenwerking met Burundi, Congo en Rwanda, de nodige expertise in huis om, nu het nog kan, getuigen van het Belgische koloniale verleden te interviewen in het Frans, Nederlands en de circa 250 talen die in Centraal-Afrika gesproken worden.

Het feit dat men er de voorkeur aan heeft gegeven het Stanley-archief te kopen voor de natie, zegt veel over de manier waarop we in dit land omgaan met het koloniale verleden dat we delen met Afrikanen. In een ware koloniale geest blijft de nadruk liggen op de verwerving van "onze" Congo en de schriftelijke, exclusief blanke bronnen die daarover getuigen. BelgiŽ heeft nood aan gedegen wetenschappelijk onderzoek over de Belgische aanwezigheid in Centraal-Afrika, van 1885 tot nu.

Precies om te vermijden dat we Afrikanen opnieuw reduceren tot figuranten in hun eigen geschiedenis, is het belangrijk hen zoveel mogelijk als onderzoekers en onderzoekssubjecten te betrekken bij dat onderzoek. Gebeurt dat niet, dan doen we de kolonisatie nog eens dunnetjes over. We reduceren de Afrikanen opnieuw tot voorwerpen van debat in een interne, blanke discussie -beperkt tot Belgische "stammenoorlogen" of uitgebreid naar een exclusief blanke geschiedschrijving- en plaatsen hen zo resoluut buiten de gedeelde, menselijke geschiedenis.

Foute Walen, correcte Vlamingen?
 

In BelgiŽ gaan debatten over de koloniale geschiedenis minder over het verleden van Congo dan over de toekomst van BelgiŽ. Eind december eiste het overwegend Franstalige Collectif Manifestement zelfs de (weder)aanhechting van BelgiŽ aan Congo. Het collectief pleit voor de overplaatsing van de zetel van de Europese instellingen naar Kinshasa en de erkenning van het Lingala als de officiŽle taal van de Koninklijke Volksrepubliek Congo. ["Beweging voor de aanhechting van BelgiŽ bij Congo."]

Op 22 december hechtte het collectief een blanke hand aan de pols van een van de Afrikaanse figuren die het standbeeld van Leopold II in Oostende flankeren. Daarbij gaven de actievoerders een aangepaste versie van Hervť Villard's kaskraker Reviens ten beste (Reviens, tu nous manques, Lťopold, Ű sauveur !/ Tout le sang " indigŤne " a sťchť ! /Tout' les mains sectionnťes ont r'poussť !...) Ogenschijnlijk bevestigt het initiatief een tegenstelling tussen Vlamingen -die uitermate kritisch staan tegenover Leopold II's wanbeheer in Congo- en Franstalige Belgen- die van geen kritiek op de vorst willen weten. Wie enigszins vertrouwd is met het wereldje van academici, journalisten, kunstenaars, schrijvers en dies meer dat zich in BelgiŽ voor Congo interesseert, zal vlug genoeg inzien dat men de leden van het Collectif Manifestement moet zoeken in antikoloniale kringen.

De ontbrekende zwarte hand die het Collectif Manifestement verving door een blanke, werd in april 2004 afgehakt door De Stoete Oostendenoare. ["Uittreksel uit de notulen van de Gemeenteraad van de Stad Oostende, 23 april 2004"]
Die haalden opnieuw het nieuws op 17 januari 2005, precies veertig jaar na de moord op Patrice Lumumba. Toen bekladden ze een standbeeld van Boudewijn in Oostende met ketchup, ter herinnering aan "het bloed dat aan de handen van het Belgische vorstenhuis kleeft." ["De nieuwe terreurdreiging komt uit Oostende."]
 Daarmee onderscheiden de Stoete Ostendenoare zich van andere Vlamingen die zich ertoe beperken Leopold II's bewind in Congo aan de kaak te stellen.

Oostends gemeenteraadlid Piet Wittevrongel legde in 2004 het stadsbestuur een officieel verzoek voor om alles wat in de stad naar Leopold II en/of diens Congo verwijst uit het straatbeeld te verwijderen of te laten begeleiden door een kunstwerkje dat de "ware historische toedracht" verduidelijkt. Toenmalig VLD-lid Jean-Marie Dedecker zegde hem zijn volle steun toe.
Naar aanleiding van de 175ste verjaardag van de Belgische onafhankelijkheid in 2005, voerde Linx+, de syndicaal-culturele vereniging van het ABVV, ludieke acties om de verwijdering te eisen van het standbeeld van baron generaal Jacques de Dixmude op de grote markt van Diksmuide, omwille van zijn vermeende betrokkenheid bij Leopold's bewind in Congo. ["Het standbeeld van Jacques de Dixmude in Diksmuide."]

Adam Hochschild baseerde zijn bestseller, De Geest van Leopold II en de plundering van Congo, grotendeels op boeken van de Vlamingen Daniel Vangroenweghe en Jules Marchal. De Vlamingen die meewerkten aan de Britse documentaire Blanke koning, rood rubber, zwarte dood, waren bereid toe te geven dat Leopolds Congo geen paradijs was geweest, terwijl geen enkele Franstalige historicus voor de BBC-camera wou getuigen. De VRT toonde de documentaire in verkorte versie zonder commentaar, de RTBF zond de integrale versie uit, gevolgd door een debat met Franstalige historici die de kritiek op Leopold II nuanceerden of zelfs weerlegden.

Ogenschijnlijk is de discussie over wat er nu al dan niet loos was in Leopolds Congo inzet geworden van een intern, Belgisch debat. De Franstalige verdediging van Leopold II zou uiting geven aan hun gehechtheid aan BelgiŽ, de kritiek van vele Vlamingen op Leopold II zou kaderen in een republikeinse of op zijn minst antiroyalistische en alleszins onverholen Vlaamse visie. De apologeten van Leopold II zijn aan deze kant van de taalgrens ondertussen zo geÔsoleerd dat ze vrijwel exclusief in kringen van Belgische unitaristen en royalisten gezocht moeten worden.

Het Belgo-Belgische karakter van de discussie over het koloniale verleden werd al eerder duidelijk, toen Vlamingen zich kantten tegen het standbeeld van Jacques de Dixmude te Diksmuide omdat hij Franstalig was. Het vandaliseren van twee royalistische monumenten leverde De Stoete Ostendenoare een prijs op van de Republikeinse Kring.

Het feit dat voor- en tegenstanders van Leopold II zich niet of amper engageren met Congolezen suggereert dat hun belang niet voorop staat in de hele controverse. De Stoete Ostendenoare schonk de afgehakte hand van Oostende weg aan "de Congolese gemeenschap in Matonge," niet gehinderd door kennis van het feit dat er amper Congolezen wonen in deze Brusselse wijk, die voor Afrikanen vooral een winkel- en uitgangsbuurt is. ["Actiegroep De Stoete Ostendenoare slaat weer toe."]
Het Collectif Manifestement, waarbij ook Congolezen betrokken zijn, bestaat uitzonderlijk wel uit mensen die al vele jaren blijk hebben gegeven van een echt engagement met Congo.

De obsessie met Leopold II
 

De Belgische interesse in het koloniale verleden beperkt zich vrijwel volledig tot twee gewelddadige scharniermomenten: de overdracht van Congo aan BelgiŽ omwille van Leopold II's terreurbewind en de bloedige periode na de onafhankelijkheid. Kan men voor de periode 1885-1908 moeilijk over de vele Congolese slachtoffers heenkijken, dan krijgt men wat 1960-1965 betreft vaak de onterechte indruk dat Belgen de voornaamste slachtoffers waren. Zo wilden sommige CD&Vers het parlementaire onderzoek naar de betrokkenheid van de toenmalige Belgische regering bij de moord op Patrice Lumumba koppelen aan een onderzoek naar het geweld dat Belgen ondergingen in de woelige dagen na de Congolese onafhankelijkheid.

Gelet op de gruwelijkheden is het niet zo verwonderlijk dat de periode 1885-1908 zo tot de verbeelding spreekt. Het is ook geen toeval dat het in eerste instantie buitenlandse historici waren die het uit de hand gelopen systeem van de rubberexploitatie aan de kaak stelden. Te veel instanties hadden er immers belang bij om dat potje gedekt te houden. Erger is dat de Belgische geschiedschrijving nog altijd achterop hinkt.

Vele historici hebben methodologische problemen met de studies van Vangroenweghe en Marchal en plaatsen vraagtekens bij de populariteit van Hochschilds boek. Dat werk schrijft de wanpraktijken in Congo toe aan Leopolds ongelukkige jeugd en reduceert de hele periode tot een confrontatie tussen "de goede" (Edmund Dene Morel) en "de slechte" (Leopold II). Het vermeldt niet dat Morel van 1919 tot 1924 met zijn Union of Democratic Control een racistische campagne voerde tegen de aanwezigheid van Afrikaanse soldaten van de Franse bezettingsmacht in Duitsland. Net zoals andere tegenstanders van Leopold II stelde Morel slechts de excessen van zijn schrikbewind aan de kaak.

Dat blanken het recht, om niet te zeggen de plicht hadden om Afrikanen te koloniseren, trok hij niet in twijfel. Volgens de toen gangbare opvattingen waren Afrikanen nu eenmaal onbeschaafd en konden zij zich zonder de interventie van de superieur geachte blanken de beschaving niet eigen maken - als dat ze dat zelfs op die manier al konden. Hochschild vermeldt dit alles niet. Bij ontstentenis van goede en vooral leesbare, Nederlandstalige studies over de hele periode kan men het grote publiek echter niet verwijten dat het zijn mosterd noodgedwongen bij Hochschild haalt.

Onbewust komt de demonisering van Leopold II vele Belgen echter ook goed uit. Omdat alleen hij eindverantwoordelijkheid droeg voor wat er mis ging in zijn Congo, kan iedereen zijn handen in onschuld wassen. En de obsessie met de terreur in Leopolds Congo leidt gemakshalve ook de aandacht af van het feit dat de Pax Belgicana in Belgisch Congo een eufemisme was.

De overgang van Leopolds Congo naar Belgisch Congo beantwoordt aan wat de Franse filosoof Michel Foucault een overgang heeft genoemd van een maatschappij waarin individuele lichamen fysiek worden mishandeld naar een maatschappij waarin een sociaal lichaam wordt gedisciplineerd. Afgezien van dit verregaande verschil was er echter ook grote continuÔteit op het vlak van inrichting en bestuur, de machtspositie van de katholieke kerk en het voortbestaan van dwangteelten. We kunnen Belgisch Congo dan ook niet begrijpen zonder inzicht te hebben in de daaraan voorafgaande periode.

Heart of darkness
 

Ook onze beeldvorming over Afrikanen blijft schatplichtig aan de kolonisatie en de argumenten die haar moesten rechtvaardigen. De meeste Belgen hebben Joseph Conrads beroemde novelle niet gelezen, maar "het donkere hart van Afrika" kennen ze allemaal. Dit beeld suggereert dat de regio en haar bewoners ondoordringbaar en dus ook onkenbaar zijn: ze zijn niet voor rede vatbaar en kunnen ook niet door de rede, de menselijke gave bij uitstek, gevat worden.

Na meer dan een eeuw blijft de idee overheersen dat de inwoners van Centraal-Afrika geen mensen zijn zoals u en ik, maar wezens die dichter bij de natuur staan en die men daarom slechts kan aanvoelen, niet rationeel doorgronden. Voor deze halfdierlijke wezens blijkt de zogenaamde beschaving niet meer dan een dun laagje vernis. Je kan je rug niet keren, of ze gaan zich te buiten aan de meest gruwelijke slachtpartijen die gegarandeerd uitlopen op kannibalisme of seksorgieŽn (mogelijk met mensapen) met aids als onvermijdelijk gevolg. Daar kunnen zelfs de pioniers van Leopold II niet tegenop: zo bruin als Afrikanen zelf, kunnen blanken het nooit bakken.

De visie dat zonder hun zogenaamd beschaafde interventie Centraal-Afrika onherroepelijk vervalt in zijn vermeende natuurlijke en gewelddadige oerstaat komt, alweer, vooral blanken goed uit. Ofwel noopt ze hen hun handen volledig af te trekken van de streek en daarmee ook hun eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Ofwel bevestigt ze de idee dat ze de inwoners mogen behandelen op een manier die op zijn best paternalistisch, op zijn slechtst racistisch is.
Congo blijft, met andere woorden, het Belgische denken en handelen bepalen. Het wordt de hoogste tijd dat we met die realiteit wat ernstiger en wetenschappelijker omgaan.

(Met dank aan Karel Arnaut)

Auteur: Bambi Ceuppens.

Website: MO*magazine