A.V.R.U.G
Afrika-Vereniging van de Universiteit Gent

Marc benoemt 's morgens de dingen:
De namen die we mensen/dingen geven, verraden hoe we naar de subjecten/objecten in kwestie kijken.

Lezing van Bambi Ceuppens
Festival Verbindingen/Jonctions, Brussel.
27 November 2005


Op de website van de Afrika-Vereniging van de Universiteit Gent kan men gecontesteerde koloniale monumenten onder de aandacht brengen. Culturele Centrale (Linx+) eist er de verwijdering van het standbeeld van Generaal Jacques de Dixmude die mee verantwoordelijk zou zijn voor de dood en verminking van duizenden “negers”. Lucas Catherine verschaft er uitleg over de verwijzing naar “Arabische slavendrijvers” op een koloniaal monument in het Jubelpark in Brussel, dat vele Moslims in het verkeerde keelgat is geschoten. Catherine gebruikt in zijn tekst de term “negerin”, die Avrug na overleg vervangt door Afrikaanse vrouw. Politiek correcte domheid? Vele mensen voelen zich beledigd als ze als “neger/in” worden aangesproken en mensen aanspreken zoals zij dat verkiezen is een kwestie van elementaire beleefdheid.

In Kort Manifest recenseert Marc Joris mijn essay Onze Congo? onder de titel “Politiek correcte domheid”. [1] Hij hekelt het feit dat ik de termen “blank” en “zwart” systematisch tussen haakjes plaats: ‘zwarten bestaan wel. Ik heb er zelf gezien.’ Joris is gemeenteraadslid voor Vlaams Belang in Gent en Kort Manifest wordt uitgegeven door het Vormingsinstituut Wies Moens. Maar ook volgens Gie van den Berghe is het absurd te ontkennen dat je een zwarte als zwarte, en witte als witte ziet (DS van 5 november 2005). [2]

Voor vele mensen mag het evident lijken dat er geen fysiek onderscheid bestaat tussen Ariërs en joden, maar wel tussen “blanken” en “zwarten”. Maar toen Shakespeare Othello schreef, kon Moor verwijzen naar Afrikanen ten zuiden én ten noorden van de Sahara. . M.a.w., hij kon zowel slaan op de vroegere secretaris-generaal van de VN, de Egyptenaar Boutros Boutros-Ghali, als op zijn opvolger, de Ghanees Kofi Annan. Wanneer mensen nu beweren dat Othello alleen door een “zwarte” gespeeld kan worden, dan houden ze duidelijk geen rekening met de historische context waarin Shakespeare zijn stuk schreef. Er is natuurlijk geen enkele reden om dat stuk niet te actualiseren. Maar zelf ben ik er wel voor te vinden om Othello te laten spelen door een “blanke” met een zwartgemaakt gezicht. Dat kan onze aandacht vestigen op het feit dat wat geldt als een “zwart” uiterlijk geen vaststaand gegeven is maar onderhevig aan maatschappelijke veranderingen.

Joden en Noord-Afrikanen, maar ook Ieren werden slechts recent geclassificeerd als “blank”. Tot in de negentiende eeuw werden Ieren routineus beschreven als “zwartachtig”. In karikaturen uit die tijd maken vaak alleen opschriften duidelijk wie Iers is en wie “zwart”. Het mag iedereen die ooit bariton Bryn Terfel of een Welshe rugbyploeg aan het werk heeft gezien verbazen, maar ook nu nog beschrijven Engelsen Welsh vaak als kleine, donkere Kelten (Tolkiens hobbits zouden geďnspireerd zijn door dat stereotiepe beeld van Kelten).

Volgens Belgische koloniale literatuur waren Grieken en Portugezen geen echte “blanken”, Tutsi en pygmeeën geen “zwarten” en verwees “Arabieren” zowel naar mensen uit het Arabische schiereiland als naar Afrikaanse Moslims. Een vrouw die ik ken, die Angolese, Congolese, Belgische, Franse, Griekse en Portugese voorouders heeft, vindt Belgen dom omdat ze niet inzien dat zij niet “zwart” is maar métisse. Wijlen Kasavubu had Chinese voorouders en de tweede vrouw van Mobutu was eveneens van “gemengde” afkomst, maar de modale Belg noemt alle inwoners van Sub-Saharisch Afrika “zwart” en vindt het alleen maar hilarisch als sommigen zich anders beschouwen. Dat kan men moeilijk volhouden als men de gulden regel toepast dat men anderen behandelt zoals men zelf behandeld wil worden. De meeste Vlamingen lachen niét als buitenlanders Nederlands een Duits dialect noemen.

In de meeste maatschappijen bepalen sociale conventies, niet biologische of fysieke feiten, sociale identiteiten. Volgens de Talmoed bepaalt de joodse moeder de joodse identiteit van het kind. Iets gelijkaardigs gebeurde in slavenmaatschappijen en koloniale maatschappijen waar vele “blanke” mannen er “zwarte” maîtresses op nahielden. De kinderen die werden geboren uit deze onwettelijke relaties volgden het “ras” van hun moeders, niet hun vaders. Huwelijk met de moeder, erkenning of adoptie konden een wettelijke band creëren tussen vader en kind, maar konden “raciale” verschillen niet uitwissen.

Deze mensen worden nog altijd “mulat” of “halfbloed” genoemd hoewel deze termen hun oorsprong vinden in achterhaalde wetenschappelijke theorieën van raciale verschillen. Qua uiterlijk kunnen ze er zowel volledig “blank” als “zwart” uitzien. Velen worden steevast verward met Arabieren of Noord-Afrikanen. Misschien was Shakespeare’s Othello van “gemengde” afkomst! Maar zelfs al valt hun uiterlijk tussen dat van hun beide ouders in, dan zullen de meeste Belgen hen classificeren als “zwart” en niet als “blank”. Dat hangt samen met het feit dat Europeanen wit niet en zwart wel beschouwen als een kleur (optisch zijn ze het geen van beide). Dat laat hen toe de “blanke” afkomst van “kleurlingen” te verdoezelen. “Blank” vervangen door “wit” verandert daar niets aan; toegeven dat alle mensen een kleur hebben mogelijk wel (optisch zijn “blanken” immers niet echt wit en “zwarten” niet echt zwart).

Afhankelijk van de partnerkeuze, duurt het maximum drie tot vier generaties vooraleer de nazaten van mensen van “gemengde” afkomst er volledig “blank” of “zwart” uitzien. In Buenos Aires viel tussen 1810 en 1887 het aandeel van de “zwarte” bevolking terug van 30 tot amper 1.8%. Tot voor korte overheerste in de publieke opinie de idee dat de bevolking van “zwarte” woonwijken werd gedecimeerd door gele koorts of dat ze in 1860 stierf in de frontlijn tijdens een brutale oorlog met Paraguay. In werkelijkheid “verdween” ze in zestig jaar tijd tengevolge van “gemengde” verbintenissen. Voor ons lijkt het logisch dat de meeste inwoners van Buenos Aires zichzelf “blank” te noemen omdat ze er “blank” uitzien, zelfs al heeft minstens tien percent “zwarte” voorouders. Maar volgens de Amerikaanse logica van de one drop of black blood is iedereen die “zwarte” voorouders heeft “zwart”, ook al ziet hij/zij er “blank” uit. Wie dat model hanteert, kan in de verleiding komen om in al die “blanke” gezichten in Buenos Aires “negroďde” trekken te ontwaren, zoals er mensen zijn die menen dat ze onmiddellijk joden herkennen aan hun haakneuzen of Kelten aan hun “zwartachtig” uiterlijk. In tegenstelling tot wat Van den Berghe beweert, beschrijven we immers niet wat we zien, maar wat we ménen te zien.

Er is niets mis mee dat de meeste Argentijnen zich “blank” en de meeste Afrikanen en Afro-Amerikanen zich “zwart” noemen. Mensen hebben immers het recht om zelf hun eigen identiteit te bepalen. Precies daarin schuilt juist het gevaar wanneer men beweert dat het absurd is te ontkennen dat je een “zwarte” als “zwart” en een “witte” als “wit” ziet. Misschien beschrijven vele Belgen in bepaalde families een papa als “blank”, een mama als “zwart” en hun kinderen als “blank”, “bruin” én “zwart”. Mij lijkt het echter niet onlogisch dat die ouders en kinderen elke identiteit op basis van huidskleur afwijzen omdat ze zich als een familie niet willen identificeren op basis van wat hen ogenschijnlijk scheidt, maar van wat hen bindt.

En daarmee wil ik opnieuw aanknopen bij gecontesteerd koloniaal erfgoed. Ik gebruik aanhalingstekens zoals de Duitse kunstenaar Gunter Demnig struikelsteentjes plaatst voor huizen waaruit slachtoffers van de Nazi’s werden gedeporteerd. Ze onderbreken het normale lees- en wandelparcours om de aandacht te vestigen op historische feiten die we al te vaak over het hoofd zien. In 1977 plaatste wijlen aartsbisschop Suenens een plakkaat in de voormalige Sacramentskapel van de kathedraal van Sint-Michiel en Goedele die fungeert als struikelsteentje. Ze stelt kanttekeningen bij de kerkelijke iconografie die in herinnering brengt hoe joden in 1370 gestolen hosties zouden geprofaneerd hebben. Het is pijnlijk om te kijken naar de prachtige kerkkunst die deze infame beschuldigingen heeft geďnspireerd. Ze vernietigen zou echter nog pijnlijker zijn omdat we riskeren daarmee de herinnering aan deze schande uit te wissen. Het aanbrengen van het plakkaat transformeert monumenten van katholiek triomfalisme in monumenten van menselijke inkeer. Dat is mooi. En zo kunnen we ook best omgaan met ons (im)materieel koloniaal erfgoed. De oorsprong van woorden zoals “negers”, “zwart” en “blank”, zijn al even onlosmakelijk verbonden met het koloniale verleden als monumenten ter ere van Leopold II en zijn pioniers in Congo. Dat geldt zelfs voor de uitdrukking “Afrikaanse vrouw”, als men weet dat Afrikaans in courant taalgebruik niet verwijst naar het hele continent, maar naar de regio bezuiden de Sahara wiens inwoners “zwart” zouden zijn. Teveel struikelsteentjes leiden er echter alleen maar toe dat wandelaars en lezers moeten hordelopen en dat ondermijnt het beoogde doel. We mogen het koloniale (im)materiële erfgoed niet ontkennen, vergeten of neutraliseren, maar evenmin moeten we het vernietigen of als het ware inkapselen. We kunnen er struikelsteentjes bij plaatsen om de herinnering gaande te houden aan het leed dat bepaalde mensen werd aangedaan en om hen in eer te herstellen.

Bambi Ceuppens

De auteur is ondervoorzitser van Avrug en als wetenschappelijk onderzoekster verbonden aan het Departement Sociale en Culturele Antropologie van de KULeuven. Ze heeft gepubliceerd over het Belgische koloniale verleden en postkoloniaal racisme. Dit is een verkorte versie van de lezing die ze op 27 november 2005 gaf tijdens het festival Verbindingen/Jonctions in Brussel.
De Engelstalige versie kan u hier lezen: http://cas1.elis.ugent.be/afrikaverteltd/marc.htm

Een andere, verkorte, Nederlandstalige versie van haar lezing verscheen onder de titel Wit en zwart zijn geen kleuren in De Standaard, 26-27 november 2005, p. 62-63.
In de papieren krantenversie van 26-27 november 2005 plaatste De Standaard, tegen de gewoonte in, bij het opiniestuk van Bambi Ceuppens een foto van de auteur.
Bambi Ceuppens reageerde hierop met een commentaar, gericht naar De Standaard.

Eindnoten

[1] Bambi Ceuppens: Kleur bekennen: kleur ontkennen? De Standaard, Brievenbus, woensdag 09 november 2005 [terug naar de tekst van de lezing]

[2] Gie van den Berghe: Kleur bekennen [terug naar de tekst van de lezing